De registratie van vingerafdrukken op de elektronische identiteitskaart is niet in strijd met de privacy. Dat heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld. Privacyjurist Matthias Dobbelaere-Welvaert, die geld inzamelde om de zaak op te starten, reageert teleurgesteld.

Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) besliste in 2018 om, ondanks een negatief advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), digitale vingerafdrukken toe te voegen aan de elektronische identiteitskaart. In maart 2019 startte privacyjurist Matthias Dobbelaere-Welvaert een procedure op om de maatregel te laten vernietigen door het Grondwettelijk Hof, onder meer omdat die niet wettelijk, niet proportioneel en niet veilig zou zijn.

Volgens het Hof wordt “de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, redelijk verantwoord door het doel identiteitsfraude te bestrijden”. “Zij heeft daarenboven geen onevenredige gevolgen voor de rechten van de betrokken personen, rekening houdend met de waarborgen. Bij de bepaling wordt immers geen centraal register van de vingerafdrukken van alle houders van een identiteitskaart ingevoerd.”

“Als het Grondwettelijk Hof in deze zaak geen schending ziet van de privacy, dan vrees ik voor elke andere privacyzaak in de toekomst”, zegt hij op Twitter in een eerste reactie op het vonnis. “Vandaag is een uitermate trieste dag voor de privacy van alle burgers in dit land. Bijzonder, bijzonder teleurgesteld.”

Alles bij de bron; HLN


 


Abonneer je nu op onze wekelijkse nieuwsbrief!
captcha